Zelf sporten: Marathon
Is herhaling de kern van goede training?
Hoewel ideeën over ‘goede training’ steeds veranderen is de basis vaak hetzelfde. Traditioneel werken trainers en schaatsers in stappen naar de ideale techniek. Afwijkingen van het ideaal – of: fouten – worden gecorrigeerd door een trainer. Er wordt net zo lang herhaald en geschaafd tot die ideale beweging een automatisme is geworden. Herhaling is de kern van traditionele training, maar is dat wel terecht?
De Russische bewegingswetenschapper Nikolai Bernstein toonde in de jaren zestig aan dat een mens nooit twee keer precies dezelfde beweging maakt, zelfs niet met een relatief simpele taak. Daaruit leidde hij af dat er geen direct verband is tussen het centrale signaal in de hersenen en de beweging.
Een sporter krijgt bovendien te maken met verschillende – interne en externe – omstandigheden. De Duitse professor Wolfgang Schöllhorn concludeerde daarom dat een ideale techniek, die voor iedereen op elk moment geschikt is, niet bestaat. Op basis daarvan introduceerde hij een nieuwe manier van trainen: differential learning. Bewegingswetenschapper Willemiek Kamper studeerde af op dit onderwerp aan de Vrije Universtiteit van Amsterdam.
Variaties
Differential learning gaat uit van de natuurlijke variaties in bewegingsgedrag en maakt daar gebruik van. Tijdens het trainen wordt de sporter met zoveel mogelijk variaties in techniek geconfronteerd, dat hij uiteindelijk onbewust tijdens de wedstrijd zelf de ideale variatie voor die situatie ‘eruit pikt’. Juist de verschillen in het uitvoeren van de taak, en niet de herhalingen zetten aan tot techniekverbetering, is de filosofie.
Kamper, zelf actief schaatsster, onderzocht het effect van differential learning op de schaatsstart onder drie groepen redelijk getrainde schaatsers, maar die nog niet ervaren waren met starten.
Alle groepen kregen op drie verschillende dagen een uur training. Eén groep was de controlegroep, deze groep kreeg schaatsles maar ging niet starten. Een tweede groep trainde op de traditionele wijze door herhaling, een derde groep trainde door differential learning.
Concreet kwam dat neer op het uitvoeren van in totaal 42 variaties in de startbeweging. Soms tot aan het extreme toe: starten met een sprongetje vooraf of met het verkeerde been voor.
Verschil
Na afloop van de onderzoeksperiode bleken alle groepen over de eerste 50m significant vooruitgegaan. De differential learning groep ging het meest vooruit: gemiddeld 0.32 seconden. De traditionele groep ging gemiddeld 0.24 seconden vooruit en de controlegroep 0.12 seconden. Statistisch gezien was dit geen significant verschil.
Tussen de 25 en 50 meter had de differential learning groep wel een significant hogere versnelling dan de andere groepen. De verschillen zitten hem tegen de verwachting van Kamper in dan ook aan het einde van de afstand. Mogelijk is de afstand te kort om de verschillen te zien, die er over een langere afstand wel duidelijk zijn. Eerder is al aangetoond dat snelheidsverschil op de eerste meters van de 500m doorwerkt in de rest van de race.
Praktijk
Tot zover de theorie. In de praktijk betekent differential learning een nieuwe aanpak van trainen én training geven, zo vertelt Kamper: “Het basisprincipe is dat je de taak die je gaat oefenen nooit herhaalt, maar juist steeds iets anders oefent. Als trainer heb je daarin de taak steeds verschillende variaties te bedenken. Je krijgt dus enerzijds een heel creatieve rol, anderzijds moet je terughoudend zijn met feedback.”
“Hoewel biomechanische principes – zoals het feit dat je minder luchtweerstand hebt als je dieper zit – overeind blijven, moet je voorzichtig zijn met het opstellen van basisregels waaraan een goede schaatstechniek moet voldoen. Wat voor de ene schaatser niet werkt, kan voor een ander juist heel goed werken. Lange tijd werd bijvoorbeeld gedacht dat je je enkels moest ‘sluiten’, maar inmiddels doen de toppers dat niet meer.”
Verkeerd
Maar als iemand toch iets in de basis verkeerd doet, op welke wijze kan de trainer zijn rijder dit dan bijbrengen? “Als trainer kan je het proces natuurlijk wel een beetje sturen”, aldus Kamper. “Jij bepaalt welke variaties je de rijders laat oefenen. Daarin kun je feedback ook verwerken. Het gaat erom dat je niets herhaalt, maar dat hoeft niet noodzakelijkerwijze te leiden tot alleen hele rare taken.”
“Een variatie kan ook zijn: ga eens net iets dieper zitten. Of iemand die bijvoorbeeld erg naar achteren afzet, kun je een keer heel bewust extreem naar achteren laten afzetten, en daarna juist extreem opzij. Zo voelt de rijder zelf het verschil en ervaart wat voor hem het beste werkt. Vergelijk het met iemand die voor het eerst op klapschaatsen rijdt: je kunt nog zo vaak zeggen dat hij niet over zijn punten moet hangen, hij hoeft maar één keer te ervaren wat er dan gebeurt en hij doet het nooit meer.”



